sociëteit “De Vereeniging” – een rijke historie
In 1869 werd in Utrecht sociëteit “De Vereeniging” opgericht, bedoeld om, zo valt
te lezen in de oprichtingsstukken, “Onder Utrecht’s inwoners uit den beschaafden
stand een nuttigen en gezelligen omgang te bevorderen”.
De geschiedenis van de sociëteit is nauw verbonden met het pand aan de Mariaplaats
14 in hartje Utrecht, waar de sociëteit sinds 1872 domicilie houdt. In de eerste
drie jaar van haar bestaan was de sociëteit gevestigd in de toenmalige schouwburg
aan het Vredenburg, in een bovenzaal toebehorend aan J. Wolters, “restaurant, koffijhuis-
en stalhouder”.
Mariaplaats 14
Het huis aan de Mariaplaats werd in 1872 door de sociëteit aangekocht, maar kent
een geschiedenis die veel verder teruggaat. De voorgeschiedenis begint halverwege
de elfde eeuw als bisschop Bernold van Utrecht begint aan de bouw van het “Kerkenkruis”.
Rond de Domkerk worden in alle vier de windrichtingen kerken gebouwd, zodat de plattegrond
van Utrecht eruit zal komen te zien als een christelijk kruis. Deze kerken, die
samen met de Domkerk het Kerkenkruis vormen, waren de St. Janskerk in het noorden,
de St. Pieterskerk in het oosten, de St. Pauluskerk in het zuiden en de St. Mariakerk
in het westen. De bouw van de St. Mariakerk begon rond 1085 onder bisschop Koenraad
en in 1099 werd het koor gewijd. Rond 1160 werd de kerk voltooid.
Rond de in de negentiende eeuw afgebroken kerk bevond zich de immuniteit van St.
Marie met daarbinnen verscheidene Kanunnikenhuizen. Eén van deze huizen kan gezien
worden als voorloper van het huidige pand aan de Mariaplaats 14. In het pand bevinden
zich nog de tufstenen resten van bebouwing uit de twaalfde eeuw, maar het eigenlijke
gebouw stamt uit de veertiende eeuw. Tijdens de grote restauratie in 1994-1995 zijn
in de opkamer restanten van fresco’s uit 1525 teruggevonden. In 1530 was Jan van
Scorel, een van Utrechts bekendste schilders en tevens kanunnik, korte tijd een
van de bewoners. In de loop der eeuwen is het pand vele malen verbouwd en vergroot.
Ook na de Reformatie behield het huis een tijdlang zijn functie als Kanunnikenhuis;
ook een aantal protestantse kerkgenootschappen kende het ambt van kanunnik. Daarna
heeft het huis diverse andere functies gehad waaronder die van woonhuis. In 1864
overleed de laatste bewoonster, Jasparina Noot, weduwe van mr. Jan de Kock, die
het pand in 1822 had gekocht. Erfgenaam IJsbrand de Kock, burgemeester van Bunnik,
Odijk en Werkhoven en griffier van de Staten van Utrecht, verkocht het in 1872 aan
sociëteit “De Vereeniging”. De Grote Zaal, nu het kloppend hart van het verenigingsleven,
is in de jaren 1880 aangebouwd waarmee het gebouw zijn huidige vorm kreeg.
De Vereeniging
Over de oprichting van "De Vereeniging" is niet zo heel veel bekend. Zoals
vaker in dit soort gevallen zullen er mensen met ideeën hebben rondgelopen en ineens
is het zover. "De Vereeniging" zelf herleidt haar geschiedenis tot 1869,
maar officieel bestaat de sociëteit ‘pas’ sinds 16 maart 1872, de dag waarop de
statuten door koning Willem III bij Koninklijk Besluit werden goedgekeurd. In het
Introductieboek, dat heden ten dage dienst doet als inschrijfboek voor nieuwe leden,
is sprake van een eerste (?) bijeenkomst op 7 november 1869. Een ander "bewijs"
zijn de aandelen, in feite obligaties, uitgegeven in 1887.
Wat opviel aan het eerst vermelde bestuur was de samenstelling: verschillende religies
en verschillende beroepen. Dit in scherp contrast met oudere sociëteiten die meestal
erg eenzijdig (en elitair) waren samengesteld. Het eerste bestuur van "De Vereeniging"
kende een advocaat en verder vooral verschillende soorten kooplieden; bekend is
dat er in ieder geval een katholiek, een jood en een lutheraan zitting hadden in
het bestuur. Voor de tweede helft van de negentiende eeuw mag dat opmerkelijk worden
genoemd. De gemengde samenstelling van het eerste bestuur weerspiegelde zich ook
in de samenstelling van het ledenbestand. Dit zou heel goed een belangrijke reden
kunnen zijn waarom de sociëteit vele stormen heeft doorstaan – al was het soms kantje
boord – en ook aan het begin van de eenentwintigste eeuw nog groeit en bloeit.
"De Vereeniging" kende in de beginjaren aanmerkelijk strengere regels
dan tegenwoordig. Zo was er een strenge ballotage, maar dus niet op religie of aristocratische
achtergrond. Leden die bijvoorbeeld onder curatele kwamen of in faillissement raakten
of die zich schuldig maakten aan wangedrag, werden direct van het lidmaatschap uitgesloten,
al was er wel de mogelijkheid om na een jaar, gesteld dat de problemen waren opgelost,
weer in genade te worden aangenomen. Er bestond ook een opkomstplicht voor de algemene
ledenvergadering en afwezigheid of te laat komen werden daadwerkelijk met een (kleine)
geldboete bestraft. Geluks- en hazardspelen waren verboden.
"De Vereeniging" kende ook toen al een café- en restauratievoorziening
voor de leden. In 1906 werd het voor de inkomsten noodzakelijk de Grote Zaal te
exploiteren en kwam er een café-restaurant, maar dan wel met een aparte entree naar
de straatzijde. Het huis bood ook onderdak aan diverse clubs, al dan niet verbonden
aan "De Vereeniging". Ook dit weer ten behoeve van de exploitatie. Populair
was bijvoorbeeld de kegelbaan die in de jaren 1890 in het Achterhuis werd aangelegd.
Deze baan werd gebruikt door de eigen kegelclub Columbumbus, maar ook door andere
kegelclubs uit de stad.
Het ledenbestand en daarmee ook de financiële positie van de sociëteit vertoonde
de afgelopen 140 jaar grote schommelingen. In mindere tijden werden de ballotagecriteria
soms versoepeld, maar dit riep vaak weerstand op. Tussen 1887 en de jaren vlak na
de Tweede Wereldoorlog kende "De Vereeniging" gewone leden en leden-aandeelhouders.
In 1887 waren namelijk sociëteitsaandelen uitgegeven om de financiële basis te versterken.
Vanuit financieel oogpunt een verstandige zet, maar het creëerde wel twee soorten
leden, waarbij de aandeelhouders als minderheid het beleid grotendeels bepaalden.
Op ledenvergaderingen kwamen zij eerst onder elkaar bijeen en pas daarna mochten
de gewone leden voor spek en bonen mee vergaderen. Vlak na 1945 werden de aandeelhouders
uitgekocht en werd de formele gelijkheid van alle leden weer in ere hersteld.
Ook na de Tweede Wereldoorlog heeft "De Vereeniging" het niet altijd gemakkelijk
gehad. In de woeste jaren zestig en zeventig was de tijdgeest bepaald niet in het
voordeel van sociëteiten, maar ook deze stormen wist "De Vereeniging"
te doorstaan. Zeker na de grootscheepse restauratie in de periode 1995-2003 staat
"De Vereeniging" er weer prima voor, met een groeiend en actief ledenbestand.
Zonder strenge ballotage en standsverschillen, maar met respect voor tradities.